1944

Vliegeniers over de Rijn

Niet alle “gliders” kwamen op hun bestemming terecht. De ondergrondse had op de begraafplaats aan de Oude Diedenweg te Wageningen een prachtige schuilplaats gebouwd in de zomer van 1944. Daar werden ook piloten en parachutisten heengebracht, voordat zij over de Rijn gezet konden worden naar het vrije zuiden. Sommige geallieerden die gecrasht waren of verkeerd terecht waren gekomen in de uiterwaarden, kwamen direct bij de Wolfswaard terecht. In totaal waren er zeven tochten over de rivier in een roeiboot nodig om 68 geallieerde militairen over te zetten.

Ooggetuigenverslag: Henk Sijnja

Gedenksteen l Bron / lees verder: Wageningen 1940 – 1945

Categorie: 1944, Wolfswaard | Trefwoorden: , , , | Reageer »

Bominslag Veluvia


Op 21 januari 1944 vielen twee bommen in de tuinen van de woningen op de hoek August Faliseweg en de Veluviaweg. Hierbij vielen 2 doden (een bewoner en een bezoeker van de Eekmolenweg 13) en raakten 4 personen gewond. De huizen aan de August Faliseweg 2 en 4 moesten worden ontruimd en de huizen aan de Veluviaweg 6, 8 en 10 tijdelijk. De woningen Eekmolenweg 5, 9, 11 en 13 waren zwaar beschadigd, evenals die van de Otto van Gelreweg 8.

Een verslag door de ogen van Frits:

“Het huis stond er nog, maar alles was donker. Overal lagen glasscherven. De fiets gauw tegen het hek. De voordeur stond los en zwaaide heen en weer. In het halletje was het donker maar de tussendeur was verdwenen. Enkele treden van de trap waren er nog, maar dan hield het op. WC en keuken waren verdwenen . De kelder lag vol met puin. Puin,overal puin! De achterkamer is weg. Het plafond hangt zover naar beneden dat je er met de hand bij kunt. Waar is zijn vrouw die juist deze avond haar vader op bezoek had? Waar is de kleine Job die in het achterkamertje boven sliep?
Daar kwamen een paar vrienden van Frits. Ze hadden hadden om negen uur een afspraak bij hem thuis.
“Je vrouw is ernstig gewond , we hebben haar op een deur weggebracht naar het ziekenhuis . Jobje is bij de familie Looijen op de Otto van Gelreweg. We waren hier even na de ontploffing van de bommen. De brandweer was er al gauw met een stelfel brandende lampen. We vonden je vrouw. Ze lag tegen de brandende kachel en we hebben ze onmiddellijk naar het ziekenhuis gebracht. Je schoonvader heeft alleen een paar schrammetjes.”
“En hoe is het met Jobje?”
“Dat is een wonder geweest. Zijn hele kamertje is weggeslagen en hij is met zijn bedje naar buiten geslagen van de bovenverdieping in de tuin. We hoorden hem huilen  het geluid kwam onder het puin vandaan. Toen kwam de brandweer. Grote brokken puin haalden we leeg. Zijn ledikantje was brandhout. Hij lag onder zijn matrasje tussen de dekentjes. Zij ogen zaten dicht door stof en kalk. De dokters hebben hem bekeken en hij mankeert niets  geen schrammetje te zien! Dat is met recht een wonder.”

Categorie: 1944, Veluvia |

Onderduikers

Eltien en Neeltje Krijthe studeerden aan de Landbouwhogeschool en woonden sinds 14 november 1927 in de bovenwoning van de boerderij “De Wolfswaard”. Na het afstuderen bleven beiden in Wageningen in het landbouwkundig onderzoek werken. Al vanaf het begin van de bezetting waren ze betrokken bij klein verzetswerk.

Beneden in de boerderij woonden Zwaantje Bosman en haar zoon Jan van Roekel. Ook in de benedenwoning werden tal van verzetsactiviteiten ontwikkeld, de OD hield daar haar oefeningen, er werd een illegale zender gebouwd waarmee uitgezonden werd tijdens de april/mei stakingen van 1943. In november 1942 kwamen twee joodse onderduikers, Theodoor en Marie  Stoppelman bij hen inwonen.

Op 4 mei 1944 werden drie Wageningers gearresteerd, twee in verband met het in het bezit hebben van een doos radio-onderdelen. De derde wegens betrokkenheid bij een illegale zender, die vanaf “De Wolfswaard” had uitgezonden.
Deze arrestaties, had op 20 mei 1944 een golf van nieuwe arrestaties door de SD in Wageningen tot gevolg. Ook de Wolfswaard ontkwam er niet aan. De SD, waarschijnlijk op zoek naar een illegale zender, stuitte op de twee Joodse onderduikers.

Eltien en Neeltje werden met hun onderduikers Theo en Marie Stoppelman voor verhoor meegenomen naar Arnhem en opgesloten in het Huis van Bewaring. Op 25 mei 1944 werden Eltien en Neeltje, per vrachtauto op transport gesteld naar kamp Vught, en later doorgestuurd naar Ravensbrück in Duitsland.
Eltien overleefde de oorlog niet, Neeltje overleefde ternauwernood, op 6 juni 1945 werd zij met een ziekenauto naar Bennekom vervoerd.

Ooggetuigenverslag: Henk Sijnja

Gedenksteen l Bron: Wageningen 1940 – 1945

Categorie: 1944, Wolfswaard | Trefwoorden: , , , | Reageer »

Bombardement Sahara

Op zondag 17 september 1944, voorafgaand aan de luchtlandingen van de Slag om Arnhem, kwam een bommenregen neer op de wijk Sahara. Hierbij vielen 35 doden en werden 14 mensen zwaar gewond, waarvan er 4 later overleden. Eén persoon bleef vermist. Veel huizen in de wijk Sahara en een deel van de Diedenweg werden vernield. Het Laboratorium voor Landbouwscheikunde kreeg enkele voltreffers en werd vrijwel geheel vernietigd.

Als voorbereiding op de luchtlandingen bij Wolfheze wilden de Engelsen zoveel mogelijk Duitse troepen rondom het landingsterrein uitschakelen. Doelwit was landgoed Belmonte waar veel Duitse legervoertuigen stonden, maar doordat de wind uit een andere richting woei dan aan de Britse piloten was doorgegeven misten de bommen hun doel.

Een verslag van Henk Glimmerveen:

Op de weg voor het huis stond ik naar boven te kijken, een beetje opgewonden omdat ik nog nooit zoveel vliegtuigen bij elkaar had gezien.
Plotseling zag ik dat een paar vliegtuigen lager gingen vliegen dan de rest. Onmiddellijk daarna zag ik bommen vallen: zwarte strepen die tegen de blauwe lucht naar beneden suisden. Zonder er bij na te denken liet ik me voorover vallen. Ik lag al toen ik de laatste bommen – heel dichtbij – zag neerkomen.
De volgende herinnering is een stofwolk, zo dicht dat ik hooguit enkele meters kon kijken. Vreemd: ik herinner me geen explosies, hoewel de ontploffende bommen en het neervallende puin van de vernielde huizen een hels lawaai moeten hebben gemaakt.
Ineens stond pa in de voordeur, roepend: “Henk, ben je daar? Leef je nog?
Ik sprong op, liep naar pa toe. Hij had blijkbaar mama, Bep en Loes al gezien, want hij verzuchtte: “We zijn er allemaal nog – Godzijdank!” Twee huizen met rieten daken stonden in brand. Meneer de Jong, die enkele huizen verderop op de Diedenweg woonde, lag op een brancard te sterven. Hij had een scherf in zijn nek gekregen.

Woensdag 20 september werden de 7 Rooms-katholieke overledenen ter aarde besteld, diezelfde dag werden ook 11 geallieerde soldaten begraven (lees hier verder) aan de Oude Diedenweg.  De volgende dag, donderdag 21 september 1944, werden de 28 overige slachtoffers van het Sahara-bombardement begraven op de Algemene Begraafplaats.
Tijdens de begrafenissen ging het oorlogsgeweld door. De woorden van de dominee werden overstemd door het gebulder van het geschut en het geknetter van mitrailleurs in de omgeving. Een vliegtuig vloog brandend over en stortte neer bij Hotel Nol in ’t Bosch. De aanwezigen renden weg om zich in veiligheid te stellen. De ceremonie op de begraafplaats moest worden afgebroken.

Quote: Dat bolletje brood uit de Bakkerstraat
Bron tekst: Wagezine

Categorie: 1944, Sahara | Trefwoorden: , | Reageer »

Luchtlandingen


Noodlanding glider

Op maandag 18 september 1944, de tweede dag van de grote luchtlandingen, moest een glider een noodlanding maken in de uiterwaarden langs de Veerweg naast het steenovenpad. Het toestel was zwaar beschadigd. Van de zes Engelse militairen bleken er drie min of meer ernstig gewond te zijn. Drie militairen werden krijgsgevangen gemaakt en, lopend via de Veerweg en een gedeelte van de Veerstraat, door de Duitsers afgevoerd. De straatbewoners begroetten de gevangenen vriendelijk en gaven hun fruit. De Duitsers maakten geen bezwaar.

De toen aan de Veerweg wonende mevrouw Bleeker snelde naar het neergestorte toestel om hulp te verlenen:

“We zagen het vliegtuig zich losmaken van de groep en naar ons toe neerkomen precies over het middenpaadje van de weilanden. Het was een wonderbaarlijk gezicht. Het vliegtuig splitste zich en reed in twee delen uiteen, het achterdeel op de wielen van de jeep die erin stond. Wij grepen onze EHBO-tas en renden erheen. Toen wij erbij kwamen, stapten twee Tommies naar buiten, staken een sigaret op en vroegen waar ze waren en of er Duitsers in de buurt waren. “Ja, die hebben zich ingegraven in de berg hier tegenover; achter jullie is de Rijn”. Er kwamen meer Engelsen te voorschijn, totaal zes. Drie gewonden waarvan een zeer ernstig met open beenbreuken.

Wij hebben de wonden verbonden, naar beste weten het been gespalkt en de man op een wrakstuk van het vliegtuig verplaatst naar het ovenpad. Dit alles gebeurde onder het vijandelijk vuur van de Duitse jagers, die regelmatig naar beneden doken om ons te beschieten. Na enige tijd kwam er een open vrachtwagen, waarop we de ernstig gewonde piloot tilden en iedereen vertrok.

We namen aan dat de gewonden naar het ziekenhuis werden gebracht, de andere drie naar het politiebureau. Ik heb nog een keer op het ziekenhuis gevraagd naar de gewonden, maar werd afgescheept met de mededeling dat ze niets wisten”.

Videobeelden van de luchtlandingen voor de slag om Arnhem:


Bron quote en tekst: Wagezine

Categorie: 1944, Veerweg | Trefwoorden: , , , , , | Reageer »

De tweede evacuatie

De oorlog vlak bij huis – de dood van Tonnie Eimers (12 jaar)

Na de luchtlandingen van 17 september 1944 bezetten Engelse en Poolse troepen de Betuwe. Van hieruit werd Wageningen beschoten,  Duitse artillerie vuurde terug. Wageningen was opnieuw frontstad geworden en de bewoners moesten voor de tweede keer evacueren.

Op 24 september kwam een bevel tot ontruiming van de Nude en de Veerweg. Op 1 oktober 1944 werd het bevel tot algehele ontruiming van de gemeente Wageningen gegeven. De Kampfcommandant schreef: “Der gesamte Ort Wageningen ist bis heuteabend 18.00 von allen Zivilisten zu räumen. Zivilisten, die nach 18.00 noch im Ort betroffen werden, worden als in Dienst des Feindes stehend behandelt”.

Het ooggetuigenverslag van Hans van Rhoon:

Een zware slag voor de familie.

De geallieerde troepen trokken vanuit het zuiden noordwaarts, met de bedoeling de rivierovergangen in handen te krijgen – o.a. de Rijnbrug in Arnhem – en van hieruit Duitsland in te trekken. Hierbij zouden de geallieerden steun ontvangen van in Engeland bewapende en bemande vrachtvliegtuigen, door de luchtmacht voortgetrokken ‘’gliders” (zweefvliegtuigen), parachutisten, grondmaterieel etc. De luchtlanding vond plaats o.a. op de Renkumse hei, slechts enkele kilometers van ons huis aan de Ritzema Bosweg in Wageningen. Door vertraging in de opmars vanuit het zuiden en de niet verwachte zware Duitse tegenstand, kwam Wageningen knel te zitten tussen de geallieerden in de Betuwe en de Duitsers. Duits geschut stond o.a. opgesteld op de begraafplaats aan de Diedenweg. Geallieerde gevechtsvliegtuigen schoten bovendien vanuit de lucht op alles wat bewoog. Kortom: de situatie in Wageningen was rijp voor evacuatie van de bevolking.

Toni Eimers

Er kwam Duits bevel dat in eerste instantie een deel van Wageningen geëvacueerd diende te worden, o.a. de Veerweg waar Pa en Ma Eimers, zoon Tonnie, dochter Annie en schoonzoon Andries woonden. De familie zou bij ons aan de Harnjesweg – Ritzema Bosweg intrekken. Eenmaal daar gearriveerd opperde Ma Eimers nog even terug naar de Veerstraat te gaan; ze had daar nog wat etenswaar staan. Pa Eimers, Tonnie en ik zouden Ma Eimers begeleiden. Na onder aanhoudend granaatvuur uit en naar de Betuwe nog wat zaken bij elkaar gepakt te hebben, verlieten we Veerstraat 118.

Pa en Ma Eimers kwamen uit de voordeur, Tonnie met mij met fiets, verlieten het huis aan de achterzijde. Tonnie zei nog tegen mij: “Ik ben zo bang!” Er sloeg een granaat naast de voordeur in, een grote stofwolk achterlatend. Een groot gat in de muur nadat de stofwolk was opgetrokken werd zichtbaar. Pa Eimers lag, hevig bloedend uit zijn hoofd, languit voorover op de stoep met voor hem liggend Ma Eimers. Naast de omgevallen fiets lag Tonnie, hevig bloedend, op de grond. Een granaatsplinter had hem in zijn hals getroffen. Tijdens zijn spoedtransport op een ladder naar het ziekenhuis heb ik geprobeerd de halswond dicht te knijpen. Helaas was hij bij aankomst in het ziekenhuis overleden.

De nacht werd met 9 personen:

  • Pa en Ma Eimers (Pa zwaar/Ma licht gewond)
  • Pa en Ma van Rhoon
  • Annie Eimers en echtgenoot Andries van Harn
  • Joke Eimers en ik (echtgenoot Hans van Rhoon)
  • Pim van Rhoon

in de kelder van de Familie van Rhoon doorgebracht, hetgeen een bizarre belevenis is geworden. Er was bijna de gehele nacht oorverdovend granaatvuur. De volgende ochtend lag de tuin vol met “blindgangers” (niet ontplofte granaten).

Het was te gevaarlijk om daar te blijven. Inmiddels was het bevel gegeven geheel Wageningen te evacueren. We hebben de meest noodzakelijke spulletjes ingepakt, ons gemeld bij het in der haast ingerichte noodziekenhuis aan de Ritzema Bosweg, waar Pa Eimers door de dokter werd verzorgd en het verband om zijn hoofd werd verschoond. We werden in het ziekenhuis nog aan het werk gezet met doorgeven van beddengoed, omdat het ziekenhuis door het aanhoudende granaatvuur weer verplaatst moest worden. Daarna moesten we met Pa Eimers op een karretje voor ons uit duwend lopend op weg naar Veenendaal. Halverwege kwam ons een Rode Kruis – colonne tegemoet. Pa Eimers werd hierbij op een bakfiets gelegd en naar Veenendaal gereden. We bereikten verder lopend in vergelijking met Wageningen het rustige Veenendaal, waar we op evacuatieadressen werden ondergebracht.

grafsteen_toni_eimers_wageningen

Enkele dagen later zou Tonnie op de Wageningse begraafplaats worden begraven. Pa Eimers kon door zijn verwonding hierbij niet aanwezig zijn. Andries van Harn en ik zouden de familie op de begrafenis vertegenwoordigen. Wij waren op de afgesproken tijd in Wageningen aanwezig, maar wij kregen geen toestemming om naar het kerkhof te gaan. De begrafenis had overigens al in de vroege ochtend plaatsgevonden. Bedroefd zijn we teruggegaan naar Veenendaal. Het was bijzonder teleurstellend niet namens de familie in staat te zijn geweest Tonnie een laatste eer te hebben kunnen bewijzen ………………………….. .

In juli 1945 keerden we weer naar Wageningen terug. De vreugde over deze terugkomst verdrong de deprimerende ervaringen van een negen maanden durende evacuatietijd van armoede, verdriet en ellende. De tijd heeft deze zwarte periode in ons leven nimmer doen helen.

Opgetekend in 2014 door: Hans van Rhoon (94 jaar)

 

Categorie: 1944, Noodhospitaal Ritzema Bosweg | Trefwoorden: , , , , | Reageer »

Evacuatie en terugkeer


Professor dr. ir. Anne van den Ban (1928) was 16 toen Wageningen in 1944 voor de tweede maal werd geëvacueerd. In een terugblik op de oorlogsjaren worden een aantal jeugdherinneringen opgehaald en verteld hij over de tweede evacuatie van Wageningen.
De familie van den Ban vond toen huisvesting in een boerderij in de omgeving van Lunteren. Op deze boerderij vonden uiteindelijk 22 mensen onderdak  in de boerderij en een aantal kippenhokken.
Aanvankelijk dacht men dat de evacuatie een paar weken zou duren, uiteindelijk kon men pas na 8 maanden weer terug naar Wageningen. Na terugkeer bleek een groot deel van Wageningen verwoest: “Men heeft mij gezegd, er waren 8 huizen waar geen schade aan was, maar ik heb geen van die huizen kunnen vinden. Bij ons viel de schade nog wel mee een groot deel van de ruiten waren eruit, een van de dingen was dat we erkers hadden met een plat dak van zink en daar waren bomscherven doorgegaan dus dat lekte en daar moest wat aan gedaan worden”.
Ook het botenhuis van Argo was verwoest. Eerst door granaattreffers van de geallieerden die de boten in de haven tot zinken wilden brengen. Later werd hout van het botenhuis gebruikt voor de versterking van Duitse loopgraven in de zomerdijk. Na de oorlog werd het botenhuis opnieuw opgebouwd.

Jan van den Ban (1926), emeritus hoogleraar Cultuurtechniek, is de twee jaar oudere broer van Anne van den Ban. Hij zette zijn herinneringen aan de oorlog op papier.

De ondergrondse in Lunteren

De familie Steenbeek waar de familie van den Ban de winter van ’44 – ’45 doorbracht, was actief in het verzet. De Wageningse evacués werden hier niet in betrokken, maar hoorden later de verklaring voor onder andere een explosie in het kippenhok van de buren.

Lees verder »

Na de bevrijding

In 1944 trad Jan van den Ban toe tot de Binnenlandse Strijdkrachten, een bundeling van verzetsgroepen.

Lees verder »

Commandant Harry

Na enkele omzwervingen via Veenendaal in 1944 kwamen wij terecht op de Driesprong in Ede. Op de Deelweg konden wij beschikken over een kippenschuur.
In april 1945 kwamen de bevrijders over de heide en trokken noordelijke richting.
In april 1945 maakten amerikanen stellingen om rugdekking te geven aan de militairen die over de heide kwamen.
Bij de familie Brouwer aan de Deelweg werd een hoofdkwartier gevestigd.
Ik was toen 14 jaar en ging vaak met commandant Harry met de jeep mee om de diverse stellingen te controleren.
Op een dag toen we terug kwamen werden we door een aantal Duitsers, die zich verscholen hadden langs de Wekeromse weg beschoten.
Harry trok mij van de bijrijdersstoel naar achteren in de jeep en riep down.
Een hevig vuurgevecht volgde, ik lag weggedoken in de jeep. Toen het vuren ophield durfde ik niet meer tevoorschijn te komen.
Toen hoorde ik mijn moeder roepen en durfde ik de jeep uit te komen.
Harry is bij dit gevecht omgekomen. De Duitsers langs de Wekeromseweg zijn ook allemaal doodgeschoten.
Harry heeft mijn leven gered daar ben ik hem zeer dankbaar voor.

Chris van Aggelen

Categorie: 1944, 1945, Haven | Trefwoorden: , , | Reageer »

Oorlogsherinneringen


Herinneringen aan de oorlog, door Bep Torkington-Kreszner, Brisbane (Australië)

Het paard van Hendriks, onze melkboer, heette Nellie, en waarschijnlijk begreep ze niets van alle drukte. Maar in oktober 1944 vervulde ze een hele belangrijke rol. Daarop kom ik later terug.

In april 1939 werd ik in Amersfoort geboren als enigste kind van Willem Frederik Hendrik Kreszner en Alberta Wilhelmina Kreszner-Brons. Van het wonen in Amersfoort weet ik maar weinig af, want in juli 1939 kreeg mijn vader een betrekking als chef-kok aan Studenten Sociëteit Ceres op de toenmalige Rijkstraatweg in Wageningen, dus kwamen we op de Brinkerweg in Wageningen te wonen.

In mei 1940 was ik één jaar oud toen we voor de eerste keer geëevacueerd werden, omdat de Duitsers het land binnengevallen waren en er hevig op de Grebbeberg werd gevochten. Daar heb ik natuurlijk ook geen persoonlijke herinneringen van, alleen mijn ouders hebben me later verteld dat alle inwoners van de stad naar de haven liepen en daar met Rijnaken stroomafwaarts gingen. Uiteindelijk kwam ons gezin in Zevenhuizen, vlakbij Gouda, terecht. Na een korte tijd konden we weer naar Wageningen terug. Deze keer werden we in vrachtwagens getransporteerd. Toen we over de Grebbeberg kwamen, lagen er lijken langs de weg.

De Landbouwhogeschool ging al vroeg in de oorlog dicht, dus ook Ceres. Mijn vader heeft geholpen met het wegbrengen en vernietigen van goederen die de Duitsers misschien wel goed van pas zouden komen. Gedurende de oorlogsjaren heeft mijn vader in verschillende zaken in de omgeving gewerkt, zoals in Hotel De Bilderberg in Oosterbeek en Rijnzicht in Renkum, dat toen een café-restaurant was.

Het leven voor iedereen was moeilijk. Voedsel was schaars en alles was op de bon. Er moesten van de Duitsers ’s avonds zwarte horren voor de ramen geplaatst worden, zodat de lichten niet gezien konden worden vanuit de lucht. Radar was er toen nog niet.

Een zuster van mijn vader, Tante Guus, was getrouwd met Josua Harpman, een Jood. Ze hadden geen kinderen, wat misschien maar gelukkig was. Ze woonden in Overveen bij Haarlem. Mijn vader heeft vele mensen, waaronder Joden, geholpen en op een dag hoorden wij dat de Duitsers van plan waren om hem te arresteren. Overhaast zijn we vertrokken uit Wageningen en waren drie maanden in Overveen, bij Tante Guus en Oom Jo, wat achteraf bekeken misschien als het hol van de leeuw beschouwd kan worden. Toen het voor de Joodse mensen steeds gevaarlijker begon te worden, verhuisden we van Overveen naar Wageningen, waar Oom Jo in een pakhuis ondergedoken zat en Tante Guus bij ons introk. Dat pakhuis was in de Kloostersteeg, die uitkwam op de Heerenstraat. Oom Jo was zakenman en verkocht allerlei dingen voor de horeca en voor banketbakkers.
Ze waren allebei dol op dieren en hadden katten, een hond, goudvissen, en een papagaai die een woordenschat had die beslist niet door de beugel kon. De dieren kwamen ook bij ons. Ik was misschien 3 of 4 jaar oud toen ik enige woorden herhaalde die papegaai Nico uitsprak. Moeder vond dat zo erg dat Nico weg moest. De volgende dag was hij verdwenen.
Op een kwade dag moest Oom Jo voor zaken naar Amsterdam. Hij ging met de bus naar Ede en toen op de trein. Van die reis is hij nooit teruggekomen, want in Amsterdam werd hij door iemand verraden. Hij is op 31 januari 1944 in Auschwitz omgekomen. Ik kan me nog de dag herinneren dat hij ’s morgens vertrok maar ’s avonds niet terugkwam.
Tante Guus was er natuurlijk heel erg overstuur van, en wij ook, want we mochten Oom Jo zeer graag en van Tante Guus heb ik ook veel gehouden. Ze is nog een hele tijd bij ons in huis geweest, maar wilde op zichzelf wonen en verhuisde naar Renkum. Gedurende de hongerwinter was zij in Friesland. In 1970 is ze nog bij ons in Australië op bezoek geweest.

Bij ons om de hoek in de Gravinnestraat woonde een gezin met drie kinderen, waar ik wel eens mee speelde. De vader was bij de brandweer in Wageningen. Op een zondag in september 1944 waren de drie kinderen op bezoek in de Sahara. Terwijl ze daar waren, vond het bombardement op de Sahara plaats, waarbij de drie kinderen zijn omgekomen. Andere kinderen hadden de ouders niet. Na de oorlog droeg de moeder altijd zwart.

Mijn vader besloot om een schuilkelder in onze achtertuin te graven. Ik kan me herinneren dat we daar ’s nachts in zaten en vliegtuigen over ons heen vlogen. Vader liep een hevige kou op en dat werd spoedig longontsteking, gevaarlijk voor iemand die al uitgehongerd en zwak was. Na een korte tijd werd hij opgenomen in een nood-ziekenhuis in Veenendaal, dus bleven mijn moeder en ik thuis achter.

Maar nu op Nellie terug te komen. Begin oktober 1944 moest iedereen uit Wageningen weg, en hier heeft het paard Nellie een goede dienst bewezen. De kinderen en ik werden op de melkkar geladen, samen met wat kleren enz., en Nellie werd ervoor gespannen. Moeder en Mevrouw Hendriks reden op de fiets, de oudste jongen reed de fiets van mijn vader. Melkboer Hendriks had een broer die in Bennekom op een boerderij woonde en die we allemaal Ome Gijs noemden. Ome Gijs heeft ongeveer 80 mensen onderdak gegeven in die tijd. We sliepen in de hooibergen, in de varkensstal, en ook op de deel. De koeien gingen ’s avonds in de stallen aan beide kanten van de deel en wij sliepen ertussenin. Moeder en ik lagen vlak naast een koe, en als dat beest zijn kop naar ons toe stak, kroop ik onder moeder uit angst.

Maar ook daar moesten we weg. Vader lag nog steeds in het ziekenhuis in Veenendaal, en op de Zandstraat in Veenendaal konden we uiteindelijk een klein huisje krijgen, een zolder boven en beneden een grote kamer met twee bedsteden, een klein gangetje en een keukentje. De wc was buiten, een plee. We deelden dit huisje met een andere familie. Met de Kerstdagen hadden we een kerstboom op de kop getikt en die met propjes watten versierd, wat sneeuwvlokjes moest betekenen.
Na een paar weken kwam vader thuis, maar kort daarna werd er op de deur geklopt. Het waren Duitse soldaten, en vader kreeg een keus. Hij kon voor hun in Veenendaal komen koken of naar een concentratiekamp in Duitsland weggevoerd worden. Hij was nog erg zwak, maar koos ervoor om voor de Duitsers te koken. Hij sprak vloeiend Frans en Duits. Het was gedurende de hongerwinter en terwijl hij voor hun kookte, hadden wij en vele bekenden ook geen honger meer. Niet dat de Duitsers hem eten gaven, maar zijn jas had diepe zakken!
En zo ging het een paar maanden door, totdat we allemaal moesten schuilen in de kelders van de kunstzijdefabriek in de Zandstraat. Kort daarna mochten we weer naar ons huisje terug en ik heb daar toen mijn zesde verjaardag gevierd. Op de een of andere manier had mijn vader boter en meel te pakken gekregen en bakte hij kleine taartjes. Wat een traktatie voor ons kinderen op het verjaardagsfeestje.

Het eind van de oorlog kwam spoedig daarna en we konden weer naar Wageningen terug. Wat een verschrikkelijke toestand heerste in de stad. De meeste huizen hadden schade, overal lag puin en rommel, en de ramen in huizen waren allemaal gebroken. In ons huis op de Brinkerweg was alles van waarde gestolen, en wat niet gestolen was, was gebroken of kort en klein gemaakt, maar we hadden een huis om in te wonen. Er heerste een grote woningnood, en bijna ieder huis had twee gezinnen. Mijn ouders kozen ervoor om studenten op kamers te nemen. Vader kreeg voor een paar maanden een baantje bij de hulp-politie maar toen de Landbouwhogeschool weer opende in september 1945, ging hij daar weer als chef-kok werken. In september 1945 ging ik voor het eerst naar school, de Piekschool, die toen nog op de Ritzema Bosweg was.

Het heeft m’n ouders heel wat moeite gekost om het huis weer aan kant te krijgen. Maar in augustus 1950 besloten we om naar Australië te emigreren, en in mei 1951 vertrokken we met het schip de Sibajak naar Australië. De eerste paar jaar waren zeer moeilijk voor ons, grotendeels omdat we de Engelse taal niet spraken, maar daar zijn we alle drie vloeiend in geworden. Ook hier hebben we de eerste paar jaar armoede geleden. Vader is in 1976 overleden aan longkanker en moeder in 1999 aan de ziekte van Alzheimer. In 1964 ben ik met een Australische man getrouwd, Rod Torkington, en we hebben twee zoons, een lieve schoondochter en een kleinzoon.

Toch zal ik de Tweede Wereldoorlog in Nederland nooit vergeten. In 1979, 1987, en in 1995 ben ik weer in Wageningen geweest, de laatste keer met m’n man om Bevrijdingsdag te vieren. In 1987 heb ik zelfs gelogeerd bij het gezin dat nu in ‘ons oude’ huis woont, oude kennissen van ons gezin. In 1995 keek Rod z’n ogen uit naar al de vlaggen – er hing zelfs een Australische vlag in de Hoogstraat.

Hier heb ik een Wageningse Bevrijdingsvlag die op 5 mei trouw uitgestoken wordt tot verbazing van de buurt.

Categorie: 1940, 1944, 1945, Sahara | Trefwoorden: , , , | Reageer »