Tagarchief: evacuatie

De mobilisatie

Op dinsdag 29 augustus 1939 lazen de inwoners van Wageningen het officiële mobilisatiebericht. De lichtingen dienstplichtige militairen 1924-1938 kwamen onder de wapenen. Begin september kwamen de eerste soldaten in onze stad. Ze werden ondergebracht in scholen, pakhuizen, en boerderijen.
Zo krijgt de Compagnie Zware Mitrailleurs, onderdak in het “Instituut voor Plantenveredeling”, waar de zolder voor dit doel ontruimd wordt. De rest krijgt zijn kwartieren aan weerzijden van de Nude bij burgers. De treinsoldaten met hun paarden en de keuken blijven op “Nudenoord”.
De soldaten hadden goed contact met de burgerbevolking. Af en toe worden avonden georganiseerd door “O&O” (Ontwikkeling en Ontspanning) en de bioscoop heeft niet te klagen aan belangstelling.

De manschappen werkten aan stellingen in de Nude, Achterberg en Veenendaal. Hier werden ook veel werkloze Wageningers bij ingezet. Tijdens de strenge winter 1939-1940 bleef dit werk doorgaan.
Tussen Wageningen en de Grebberg, o.a. bij het Huppelpad, waren verschillende achter elkaar liggende stellingen ingericht, de voorposten. Ook was er een tankgracht aangelegd om de Duitse aanval te weerstaan.

Op 19 april 1940 werd de staat van beleg afgekondigd, totdat op 7 mei de soldaten plaats namen in de stellingen op en bij de Grebbeberg.
Bij de strijd om de voorposten werden de meeste boerderijen in dit gebied verwoest. In de jaren na de oorlog werden nieuwe boerderijen gebouwd, deze boerderijen zijn ook vandaag nog herken baar aan een herinneringssteen.

Bron: WagezineGrebbebergdagboek 1940Oorlogsherinneringen Izak van Dam

Meer informatie over voorposten Grebbeline: Oud Wageningen en De Wageningse voorposten

Categorie: 1940, Huppelpad | Trefwoorden: , , | Reageer »

Evacuatie

Door de dreigende oorlog werd op 29 augustus 1939 door de Nederlandse regering een algehele mobilisatie afgekondigd. Indien Duitsland ons land zou aanvallen, zouden troepen aan de grens voor vertraging zorgen. De hoofdverdediging zou gevoerd worden bij de Grebbelinie en de Gelderse Vallei zou dan worden geëvacueerd, inclusief de gemeente Wageningen, behalve het gedeelte ten oosten van de Diedenweg.

Als evacuatie-adres voor Wageningen werden de gemeenten Zwijndrecht, Ridderkerk en IJsselmonde aangewezen. Het afvoeren van de bevolking zou met schepen over de Rijn gebeuren. Wageningen had deze evacuatieplannen goed uitgewerkt.

’s Morgens 10 mei 1940 kwam een telegram bij de burgemeester van Wageningen: “Aanvang maken met afvoer Burgerbevolking uwer Gemeente onmiddellijk inschepen”.
In elk schip werden ruim 400 personen uit eenzelfde wijk ondergebracht. Als laatsten werden doktoren, verplegend personeel, priesters en predikanten over de schepen verdeeld. Sommige schepen waren niet schoongemaakt. De vorige scheepsladingen van cement en kolen verdeelden de Wageningers op deze manier in ‘witten en zwarten’ toen ze er weer uitkwamen. Om 4 uur vertrokken de eerste schepen, getrokken door sleepboten. Toen de laatste schepen rond 6 uur langs Rhenen voeren, werden al bommen gegooid in het gebied bij Wageningen.

Een ooggetuigenverslag van mevrouw J.J. van Dodewaard-Rijksen:

“Een dan komt de officiële oproep: evacueren! Om 12.00 uur verzamelen bij het blokhoofd. Het is zover! Vader zet het kippenhok open en laat de konijnen vrij in het gras. Ze moeten zichzelf nu maar redden. Och, en de poes! Ook maar naar buiten. We kunnen je niet meenemen beestje. Het ga je goed!
Dan kleden we ons aan en binden de bagage op onze rug. Nog een klein koffertje en handtassen. Mijn zus en ik stoppen nog gauw wat dierbare foto’s in onze tas, en dan gaan we.
We kijken nog een keer om.

Steeds meer mensen sluiten zich aan en scharen zich om het opgeheven bord met ons groepsnummer. Tot de groep van ongeveer 50 personen voltallig achter het blokhoofd aan naar de stad trekt.

In de Hoogstraat zijn de bewoners nog thuis. Ze staren ons meewarig aan, wetende dat zij straks ook aan de beurt komen. Er ligt veel glas op de trottoirs. Militairen laten met springladingen bomen over de weg vallen, als versperring voor de vijand. De winkelruiten sneuvelen bij de ontploffingen. Winkeliers halen hun etalages leeg, en delen allerlei etenswaren uit aan de langs trekkende mensen.”

Ooggetuigenverslag mevrouw Ormel:

Ooggetuigenverslag Bert Polak (04-5-2013, Wolfheze):

Op 10 mei 1940 waren er om ± 15.30 uur luchtgevechten boven Wageningen, mijn vader  was ondercommandant evacuatie van een bepaald district van Wageningen. Wij gingen naar de Rijnaken. Mijn Grootmoeder die mij verzorgde, was ziek en werd met de ambulance gebracht,maar kon door de drukte niet bij de boten komen. Ze werd overgeladen in een kruiwagen en zo de kippentrap loopplank af het ruim ingereden. Wij waren voor die tijd rijk met het in bezit hebben van een kijker. Zo mochten 3 jongens waaronder ik de lucht af speuren of er vijandelijke vliegtuigen ons zouden aanvallen. Ja hoor daar kwam een Messerschmitt in duikvlucht aan; de begeleidende politieboot begon met zijn mitrailleur te ratelen. De jager bleek echter een noodlanding te maken! Daar kwam de burgerwacht ter plaatse, om de Duitsers in te rekenen. Ze holden naar ze toe! De Duitsers doken in het vliegtuigje en zetten een mitrailleur op de dijk… de burgerwacht rende nog twee maal zo hard om dekking te zoeken. Het was ondanks de narigheid een komisch gezicht. Met eigen ogen gezien.

Categorie: 1940, Haven | Trefwoorden: , , | Reageer »

Luchtlandingen


Noodlanding glider

Op maandag 18 september 1944, de tweede dag van de grote luchtlandingen, moest een glider een noodlanding maken in de uiterwaarden langs de Veerweg naast het steenovenpad. Het toestel was zwaar beschadigd. Van de zes Engelse militairen bleken er drie min of meer ernstig gewond te zijn. Drie militairen werden krijgsgevangen gemaakt en, lopend via de Veerweg en een gedeelte van de Veerstraat, door de Duitsers afgevoerd. De straatbewoners begroetten de gevangenen vriendelijk en gaven hun fruit. De Duitsers maakten geen bezwaar.

De toen aan de Veerweg wonende mevrouw Bleeker snelde naar het neergestorte toestel om hulp te verlenen:

“We zagen het vliegtuig zich losmaken van de groep en naar ons toe neerkomen precies over het middenpaadje van de weilanden. Het was een wonderbaarlijk gezicht. Het vliegtuig splitste zich en reed in twee delen uiteen, het achterdeel op de wielen van de jeep die erin stond. Wij grepen onze EHBO-tas en renden erheen. Toen wij erbij kwamen, stapten twee Tommies naar buiten, staken een sigaret op en vroegen waar ze waren en of er Duitsers in de buurt waren. “Ja, die hebben zich ingegraven in de berg hier tegenover; achter jullie is de Rijn”. Er kwamen meer Engelsen te voorschijn, totaal zes. Drie gewonden waarvan een zeer ernstig met open beenbreuken.

Wij hebben de wonden verbonden, naar beste weten het been gespalkt en de man op een wrakstuk van het vliegtuig verplaatst naar het ovenpad. Dit alles gebeurde onder het vijandelijk vuur van de Duitse jagers, die regelmatig naar beneden doken om ons te beschieten. Na enige tijd kwam er een open vrachtwagen, waarop we de ernstig gewonde piloot tilden en iedereen vertrok.

We namen aan dat de gewonden naar het ziekenhuis werden gebracht, de andere drie naar het politiebureau. Ik heb nog een keer op het ziekenhuis gevraagd naar de gewonden, maar werd afgescheept met de mededeling dat ze niets wisten”.

Videobeelden van de luchtlandingen voor de slag om Arnhem:


Bron quote en tekst: Wagezine

Categorie: 1944, Veerweg | Trefwoorden: , , , , , | Reageer »

De tweede evacuatie

De oorlog vlak bij huis – de dood van Tonnie Eimers (12 jaar)

Na de luchtlandingen van 17 september 1944 bezetten Engelse en Poolse troepen de Betuwe. Van hieruit werd Wageningen beschoten,  Duitse artillerie vuurde terug. Wageningen was opnieuw frontstad geworden en de bewoners moesten voor de tweede keer evacueren.

Op 24 september kwam een bevel tot ontruiming van de Nude en de Veerweg. Op 1 oktober 1944 werd het bevel tot algehele ontruiming van de gemeente Wageningen gegeven. De Kampfcommandant schreef: “Der gesamte Ort Wageningen ist bis heuteabend 18.00 von allen Zivilisten zu räumen. Zivilisten, die nach 18.00 noch im Ort betroffen werden, worden als in Dienst des Feindes stehend behandelt”.

Het ooggetuigenverslag van Hans van Rhoon:

Een zware slag voor de familie.

De geallieerde troepen trokken vanuit het zuiden noordwaarts, met de bedoeling de rivierovergangen in handen te krijgen – o.a. de Rijnbrug in Arnhem – en van hieruit Duitsland in te trekken. Hierbij zouden de geallieerden steun ontvangen van in Engeland bewapende en bemande vrachtvliegtuigen, door de luchtmacht voortgetrokken ‘’gliders” (zweefvliegtuigen), parachutisten, grondmaterieel etc. De luchtlanding vond plaats o.a. op de Renkumse hei, slechts enkele kilometers van ons huis aan de Ritzema Bosweg in Wageningen. Door vertraging in de opmars vanuit het zuiden en de niet verwachte zware Duitse tegenstand, kwam Wageningen knel te zitten tussen de geallieerden in de Betuwe en de Duitsers. Duits geschut stond o.a. opgesteld op de begraafplaats aan de Diedenweg. Geallieerde gevechtsvliegtuigen schoten bovendien vanuit de lucht op alles wat bewoog. Kortom: de situatie in Wageningen was rijp voor evacuatie van de bevolking.

Toni Eimers

Er kwam Duits bevel dat in eerste instantie een deel van Wageningen geëvacueerd diende te worden, o.a. de Veerweg waar Pa en Ma Eimers, zoon Tonnie, dochter Annie en schoonzoon Andries woonden. De familie zou bij ons aan de Harnjesweg – Ritzema Bosweg intrekken. Eenmaal daar gearriveerd opperde Ma Eimers nog even terug naar de Veerstraat te gaan; ze had daar nog wat etenswaar staan. Pa Eimers, Tonnie en ik zouden Ma Eimers begeleiden. Na onder aanhoudend granaatvuur uit en naar de Betuwe nog wat zaken bij elkaar gepakt te hebben, verlieten we Veerstraat 118.

Pa en Ma Eimers kwamen uit de voordeur, Tonnie met mij met fiets, verlieten het huis aan de achterzijde. Tonnie zei nog tegen mij: “Ik ben zo bang!” Er sloeg een granaat naast de voordeur in, een grote stofwolk achterlatend. Een groot gat in de muur nadat de stofwolk was opgetrokken werd zichtbaar. Pa Eimers lag, hevig bloedend uit zijn hoofd, languit voorover op de stoep met voor hem liggend Ma Eimers. Naast de omgevallen fiets lag Tonnie, hevig bloedend, op de grond. Een granaatsplinter had hem in zijn hals getroffen. Tijdens zijn spoedtransport op een ladder naar het ziekenhuis heb ik geprobeerd de halswond dicht te knijpen. Helaas was hij bij aankomst in het ziekenhuis overleden.

De nacht werd met 9 personen:

  • Pa en Ma Eimers (Pa zwaar/Ma licht gewond)
  • Pa en Ma van Rhoon
  • Annie Eimers en echtgenoot Andries van Harn
  • Joke Eimers en ik (echtgenoot Hans van Rhoon)
  • Pim van Rhoon

in de kelder van de Familie van Rhoon doorgebracht, hetgeen een bizarre belevenis is geworden. Er was bijna de gehele nacht oorverdovend granaatvuur. De volgende ochtend lag de tuin vol met “blindgangers” (niet ontplofte granaten).

Het was te gevaarlijk om daar te blijven. Inmiddels was het bevel gegeven geheel Wageningen te evacueren. We hebben de meest noodzakelijke spulletjes ingepakt, ons gemeld bij het in der haast ingerichte noodziekenhuis aan de Ritzema Bosweg, waar Pa Eimers door de dokter werd verzorgd en het verband om zijn hoofd werd verschoond. We werden in het ziekenhuis nog aan het werk gezet met doorgeven van beddengoed, omdat het ziekenhuis door het aanhoudende granaatvuur weer verplaatst moest worden. Daarna moesten we met Pa Eimers op een karretje voor ons uit duwend lopend op weg naar Veenendaal. Halverwege kwam ons een Rode Kruis – colonne tegemoet. Pa Eimers werd hierbij op een bakfiets gelegd en naar Veenendaal gereden. We bereikten verder lopend in vergelijking met Wageningen het rustige Veenendaal, waar we op evacuatieadressen werden ondergebracht.

grafsteen_toni_eimers_wageningen

Enkele dagen later zou Tonnie op de Wageningse begraafplaats worden begraven. Pa Eimers kon door zijn verwonding hierbij niet aanwezig zijn. Andries van Harn en ik zouden de familie op de begrafenis vertegenwoordigen. Wij waren op de afgesproken tijd in Wageningen aanwezig, maar wij kregen geen toestemming om naar het kerkhof te gaan. De begrafenis had overigens al in de vroege ochtend plaatsgevonden. Bedroefd zijn we teruggegaan naar Veenendaal. Het was bijzonder teleurstellend niet namens de familie in staat te zijn geweest Tonnie een laatste eer te hebben kunnen bewijzen ………………………….. .

In juli 1945 keerden we weer naar Wageningen terug. De vreugde over deze terugkomst verdrong de deprimerende ervaringen van een negen maanden durende evacuatietijd van armoede, verdriet en ellende. De tijd heeft deze zwarte periode in ons leven nimmer doen helen.

Opgetekend in 2014 door: Hans van Rhoon (94 jaar)

 

Categorie: 1944, Noodhospitaal Ritzema Bosweg | Trefwoorden: , , , , | Reageer »

Evacuatie en terugkeer


Professor dr. ir. Anne van den Ban (1928) was 16 toen Wageningen in 1944 voor de tweede maal werd geëvacueerd. In een terugblik op de oorlogsjaren worden een aantal jeugdherinneringen opgehaald en verteld hij over de tweede evacuatie van Wageningen.
De familie van den Ban vond toen huisvesting in een boerderij in de omgeving van Lunteren. Op deze boerderij vonden uiteindelijk 22 mensen onderdak  in de boerderij en een aantal kippenhokken.
Aanvankelijk dacht men dat de evacuatie een paar weken zou duren, uiteindelijk kon men pas na 8 maanden weer terug naar Wageningen. Na terugkeer bleek een groot deel van Wageningen verwoest: “Men heeft mij gezegd, er waren 8 huizen waar geen schade aan was, maar ik heb geen van die huizen kunnen vinden. Bij ons viel de schade nog wel mee een groot deel van de ruiten waren eruit, een van de dingen was dat we erkers hadden met een plat dak van zink en daar waren bomscherven doorgegaan dus dat lekte en daar moest wat aan gedaan worden”.
Ook het botenhuis van Argo was verwoest. Eerst door granaattreffers van de geallieerden die de boten in de haven tot zinken wilden brengen. Later werd hout van het botenhuis gebruikt voor de versterking van Duitse loopgraven in de zomerdijk. Na de oorlog werd het botenhuis opnieuw opgebouwd.

Jan van den Ban (1926), emeritus hoogleraar Cultuurtechniek, is de twee jaar oudere broer van Anne van den Ban. Hij zette zijn herinneringen aan de oorlog op papier.

De ondergrondse in Lunteren

De familie Steenbeek waar de familie van den Ban de winter van ’44 – ’45 doorbracht, was actief in het verzet. De Wageningse evacués werden hier niet in betrokken, maar hoorden later de verklaring voor onder andere een explosie in het kippenhok van de buren.

Lees verder »

Na de bevrijding

In 1944 trad Jan van den Ban toe tot de Binnenlandse Strijdkrachten, een bundeling van verzetsgroepen.

Lees verder »

Commandant Harry

Na enkele omzwervingen via Veenendaal in 1944 kwamen wij terecht op de Driesprong in Ede. Op de Deelweg konden wij beschikken over een kippenschuur.
In april 1945 kwamen de bevrijders over de heide en trokken noordelijke richting.
In april 1945 maakten amerikanen stellingen om rugdekking te geven aan de militairen die over de heide kwamen.
Bij de familie Brouwer aan de Deelweg werd een hoofdkwartier gevestigd.
Ik was toen 14 jaar en ging vaak met commandant Harry met de jeep mee om de diverse stellingen te controleren.
Op een dag toen we terug kwamen werden we door een aantal Duitsers, die zich verscholen hadden langs de Wekeromse weg beschoten.
Harry trok mij van de bijrijdersstoel naar achteren in de jeep en riep down.
Een hevig vuurgevecht volgde, ik lag weggedoken in de jeep. Toen het vuren ophield durfde ik niet meer tevoorschijn te komen.
Toen hoorde ik mijn moeder roepen en durfde ik de jeep uit te komen.
Harry is bij dit gevecht omgekomen. De Duitsers langs de Wekeromseweg zijn ook allemaal doodgeschoten.
Harry heeft mijn leven gered daar ben ik hem zeer dankbaar voor.

Chris van Aggelen

Categorie: 1944, 1945, Haven | Trefwoorden: , , | Reageer »

Oorlogsherinneringen


Herinneringen aan de oorlog, door Bep Torkington-Kreszner, Brisbane (Australië)

Het paard van Hendriks, onze melkboer, heette Nellie, en waarschijnlijk begreep ze niets van alle drukte. Maar in oktober 1944 vervulde ze een hele belangrijke rol. Daarop kom ik later terug.

In april 1939 werd ik in Amersfoort geboren als enigste kind van Willem Frederik Hendrik Kreszner en Alberta Wilhelmina Kreszner-Brons. Van het wonen in Amersfoort weet ik maar weinig af, want in juli 1939 kreeg mijn vader een betrekking als chef-kok aan Studenten Sociëteit Ceres op de toenmalige Rijkstraatweg in Wageningen, dus kwamen we op de Brinkerweg in Wageningen te wonen.

In mei 1940 was ik één jaar oud toen we voor de eerste keer geëevacueerd werden, omdat de Duitsers het land binnengevallen waren en er hevig op de Grebbeberg werd gevochten. Daar heb ik natuurlijk ook geen persoonlijke herinneringen van, alleen mijn ouders hebben me later verteld dat alle inwoners van de stad naar de haven liepen en daar met Rijnaken stroomafwaarts gingen. Uiteindelijk kwam ons gezin in Zevenhuizen, vlakbij Gouda, terecht. Na een korte tijd konden we weer naar Wageningen terug. Deze keer werden we in vrachtwagens getransporteerd. Toen we over de Grebbeberg kwamen, lagen er lijken langs de weg.

De Landbouwhogeschool ging al vroeg in de oorlog dicht, dus ook Ceres. Mijn vader heeft geholpen met het wegbrengen en vernietigen van goederen die de Duitsers misschien wel goed van pas zouden komen. Gedurende de oorlogsjaren heeft mijn vader in verschillende zaken in de omgeving gewerkt, zoals in Hotel De Bilderberg in Oosterbeek en Rijnzicht in Renkum, dat toen een café-restaurant was.

Het leven voor iedereen was moeilijk. Voedsel was schaars en alles was op de bon. Er moesten van de Duitsers ’s avonds zwarte horren voor de ramen geplaatst worden, zodat de lichten niet gezien konden worden vanuit de lucht. Radar was er toen nog niet.

Een zuster van mijn vader, Tante Guus, was getrouwd met Josua Harpman, een Jood. Ze hadden geen kinderen, wat misschien maar gelukkig was. Ze woonden in Overveen bij Haarlem. Mijn vader heeft vele mensen, waaronder Joden, geholpen en op een dag hoorden wij dat de Duitsers van plan waren om hem te arresteren. Overhaast zijn we vertrokken uit Wageningen en waren drie maanden in Overveen, bij Tante Guus en Oom Jo, wat achteraf bekeken misschien als het hol van de leeuw beschouwd kan worden. Toen het voor de Joodse mensen steeds gevaarlijker begon te worden, verhuisden we van Overveen naar Wageningen, waar Oom Jo in een pakhuis ondergedoken zat en Tante Guus bij ons introk. Dat pakhuis was in de Kloostersteeg, die uitkwam op de Heerenstraat. Oom Jo was zakenman en verkocht allerlei dingen voor de horeca en voor banketbakkers.
Ze waren allebei dol op dieren en hadden katten, een hond, goudvissen, en een papagaai die een woordenschat had die beslist niet door de beugel kon. De dieren kwamen ook bij ons. Ik was misschien 3 of 4 jaar oud toen ik enige woorden herhaalde die papegaai Nico uitsprak. Moeder vond dat zo erg dat Nico weg moest. De volgende dag was hij verdwenen.
Op een kwade dag moest Oom Jo voor zaken naar Amsterdam. Hij ging met de bus naar Ede en toen op de trein. Van die reis is hij nooit teruggekomen, want in Amsterdam werd hij door iemand verraden. Hij is op 31 januari 1944 in Auschwitz omgekomen. Ik kan me nog de dag herinneren dat hij ’s morgens vertrok maar ’s avonds niet terugkwam.
Tante Guus was er natuurlijk heel erg overstuur van, en wij ook, want we mochten Oom Jo zeer graag en van Tante Guus heb ik ook veel gehouden. Ze is nog een hele tijd bij ons in huis geweest, maar wilde op zichzelf wonen en verhuisde naar Renkum. Gedurende de hongerwinter was zij in Friesland. In 1970 is ze nog bij ons in Australië op bezoek geweest.

Bij ons om de hoek in de Gravinnestraat woonde een gezin met drie kinderen, waar ik wel eens mee speelde. De vader was bij de brandweer in Wageningen. Op een zondag in september 1944 waren de drie kinderen op bezoek in de Sahara. Terwijl ze daar waren, vond het bombardement op de Sahara plaats, waarbij de drie kinderen zijn omgekomen. Andere kinderen hadden de ouders niet. Na de oorlog droeg de moeder altijd zwart.

Mijn vader besloot om een schuilkelder in onze achtertuin te graven. Ik kan me herinneren dat we daar ’s nachts in zaten en vliegtuigen over ons heen vlogen. Vader liep een hevige kou op en dat werd spoedig longontsteking, gevaarlijk voor iemand die al uitgehongerd en zwak was. Na een korte tijd werd hij opgenomen in een nood-ziekenhuis in Veenendaal, dus bleven mijn moeder en ik thuis achter.

Maar nu op Nellie terug te komen. Begin oktober 1944 moest iedereen uit Wageningen weg, en hier heeft het paard Nellie een goede dienst bewezen. De kinderen en ik werden op de melkkar geladen, samen met wat kleren enz., en Nellie werd ervoor gespannen. Moeder en Mevrouw Hendriks reden op de fiets, de oudste jongen reed de fiets van mijn vader. Melkboer Hendriks had een broer die in Bennekom op een boerderij woonde en die we allemaal Ome Gijs noemden. Ome Gijs heeft ongeveer 80 mensen onderdak gegeven in die tijd. We sliepen in de hooibergen, in de varkensstal, en ook op de deel. De koeien gingen ’s avonds in de stallen aan beide kanten van de deel en wij sliepen ertussenin. Moeder en ik lagen vlak naast een koe, en als dat beest zijn kop naar ons toe stak, kroop ik onder moeder uit angst.

Maar ook daar moesten we weg. Vader lag nog steeds in het ziekenhuis in Veenendaal, en op de Zandstraat in Veenendaal konden we uiteindelijk een klein huisje krijgen, een zolder boven en beneden een grote kamer met twee bedsteden, een klein gangetje en een keukentje. De wc was buiten, een plee. We deelden dit huisje met een andere familie. Met de Kerstdagen hadden we een kerstboom op de kop getikt en die met propjes watten versierd, wat sneeuwvlokjes moest betekenen.
Na een paar weken kwam vader thuis, maar kort daarna werd er op de deur geklopt. Het waren Duitse soldaten, en vader kreeg een keus. Hij kon voor hun in Veenendaal komen koken of naar een concentratiekamp in Duitsland weggevoerd worden. Hij was nog erg zwak, maar koos ervoor om voor de Duitsers te koken. Hij sprak vloeiend Frans en Duits. Het was gedurende de hongerwinter en terwijl hij voor hun kookte, hadden wij en vele bekenden ook geen honger meer. Niet dat de Duitsers hem eten gaven, maar zijn jas had diepe zakken!
En zo ging het een paar maanden door, totdat we allemaal moesten schuilen in de kelders van de kunstzijdefabriek in de Zandstraat. Kort daarna mochten we weer naar ons huisje terug en ik heb daar toen mijn zesde verjaardag gevierd. Op de een of andere manier had mijn vader boter en meel te pakken gekregen en bakte hij kleine taartjes. Wat een traktatie voor ons kinderen op het verjaardagsfeestje.

Het eind van de oorlog kwam spoedig daarna en we konden weer naar Wageningen terug. Wat een verschrikkelijke toestand heerste in de stad. De meeste huizen hadden schade, overal lag puin en rommel, en de ramen in huizen waren allemaal gebroken. In ons huis op de Brinkerweg was alles van waarde gestolen, en wat niet gestolen was, was gebroken of kort en klein gemaakt, maar we hadden een huis om in te wonen. Er heerste een grote woningnood, en bijna ieder huis had twee gezinnen. Mijn ouders kozen ervoor om studenten op kamers te nemen. Vader kreeg voor een paar maanden een baantje bij de hulp-politie maar toen de Landbouwhogeschool weer opende in september 1945, ging hij daar weer als chef-kok werken. In september 1945 ging ik voor het eerst naar school, de Piekschool, die toen nog op de Ritzema Bosweg was.

Het heeft m’n ouders heel wat moeite gekost om het huis weer aan kant te krijgen. Maar in augustus 1950 besloten we om naar Australië te emigreren, en in mei 1951 vertrokken we met het schip de Sibajak naar Australië. De eerste paar jaar waren zeer moeilijk voor ons, grotendeels omdat we de Engelse taal niet spraken, maar daar zijn we alle drie vloeiend in geworden. Ook hier hebben we de eerste paar jaar armoede geleden. Vader is in 1976 overleden aan longkanker en moeder in 1999 aan de ziekte van Alzheimer. In 1964 ben ik met een Australische man getrouwd, Rod Torkington, en we hebben twee zoons, een lieve schoondochter en een kleinzoon.

Toch zal ik de Tweede Wereldoorlog in Nederland nooit vergeten. In 1979, 1987, en in 1995 ben ik weer in Wageningen geweest, de laatste keer met m’n man om Bevrijdingsdag te vieren. In 1987 heb ik zelfs gelogeerd bij het gezin dat nu in ‘ons oude’ huis woont, oude kennissen van ons gezin. In 1995 keek Rod z’n ogen uit naar al de vlaggen – er hing zelfs een Australische vlag in de Hoogstraat.

Hier heb ik een Wageningse Bevrijdingsvlag die op 5 mei trouw uitgestoken wordt tot verbazing van de buurt.

Categorie: 1940, 1944, 1945, Sahara | Trefwoorden: , , , | Reageer »

Evacuatie en het verzet in Lunteren

Op 1 oktober 1944 stond op veel plaatsen aangeplakt dat Wageningen ontruimd moest worden. We gingen onder leiding van mijn vader met de fiets naar Edenaar de school bij de spoorwegovergang aan de Kerkweg.

Toen we op 2 oktober 1944 wakker waren in de school in Ede, is mijn vader op de fiets een onderdak gaan zoeken. Tegen de avond kwam hij terug in de school met de mededeling, dat hij iets had gevonden op een boerderij bij Lunteren. Als landbouwconsulent voor landbouwwerktuigen en als leraar aan de landbouwwinterschool in Andelst kende hij heel wat boeren. We gingen naar de familie Steenbeek, Schansweg 9, Lanteren. De Schansweg was een onverharde weg met een fietspad er langs.

De boer Tijmen Steenbeek had drie volwassen kinderen: Alie de dochter, die meestal in de huishouding werkte, en de zonen Gijs en Driekus, die het meeste boerenwerk deden. Het bedrijf was in de vorige generatie gesplitst, want de broer van Steenbeek had een bedrijf aan een insteekweg, die op het erf begon. Het bedrijf waar wij kwamen was een gemengd bedrijf van ongeveer 21 ha. Er kon een bed worden vrijgemaakt voor onze ouders en de kinderen konden slapen op het hooi boven de deel. Het was een gastvrije familie, want er was al een leeg kippenhok beschikbaar gesteld aan twee families uit Oosterbeek. Enige tijd later kwam in het tweede kippenhok ook de familie Daniëls, die woonde op de eerste boerderij aan het begin van de Nude in Wageningen.

Het bedrijf bestond grotendeels uit grasland en op een wat hoger gelegen perceel ook bouwland. Daar waren in de zomer aardappelen, voederbieten en graan geteeld en in de herfst toen wij kwamen waren er stoppelknollen gezaaid, die als veevoer dienden. In een apart gebouw was de varkensstal met fokzeugen en enkele mestvarkens. Toen op de eerste dag dat we er waren de biggetjes aan ons werden getoond, woei met een hevige klap een deur dicht. Als reactie op die knal dook ik ineen, want mijn reactie op artillerie was ik nog niet kwijt. Er waren drie kippenhokken, want het was ook een vermeerderingsbedrijf, dat kuikens verkocht. Door gebrek aan voer stonden twee van de kippenhokken leeg. Er was ook nog een kippenhok, dat op wielen stond en dus verplaatst kon worden. Dat stond aan de oostzijde van het varkenshok achter een perceeltje mais en tabak.

Aan de overzijde van de onverharde weg, die over het erf liep waren twee hooimijten, die in deze herfst goed waren gevuld en een hok met brandhout en wat gereedschap. Langs de weg en dus in het uitzicht van de woning van de familie Steenbeek was een kleine boomgaard een vuilhoop met voederbieten, waarvan er dagelijks een rantsoen moest worden gehakkeld om aan de koeien te voeren.

klein_sprankelaar_steenbeek_lunteren

Wij hadden onze huiskamer in het bakhuis, dus in de aanbouw links op de foto.

Het was normaal, dat wij mee hielpen op het bedrijf. Mijn zuster Plonia en ik leerden te melken en mijn broer Anne was dan bezig met het voeren van het vee. Gijs of Driekus zorgde voor de verkoop van melk of aardappelen voor hongerlijders, die langs lçhvamen. Onze neef Wim van der Poel, die in ons gezin was opgenomen nadat hij bij het bombardement op de Wageningse berg zijn familie had verloren hielp ook met allerlei karweitjes. Naast de normale dagelijks werkzaamheden was er soms ook iets anders te doen.

Achter het varkenshok was er een klein perceeltje tabak, waar Steenbeek de pijp mee wilde stoppen. Bij de oogst van de tabak werden de bladen afgesneden en die moesten aan een touw worden geregen, dat door een snee in de steel van het blad ging. Daar kreeg je kleverige vingers van. De gesneden bladeren werden aan dat touw aan de balken boven de deel te drogen gehangen. Bij dit perceeltje tabak was nog een kippenhok, dat op wielen stond en dus verplaatst kon worden.

Wij waren gevlucht in de verwachting, dat de oorlog wel in enkele weken over zou zijn, daarom hadden we te weinig winterkleren bij ons. Na enige dagen hoorden we, dat als je naar Wageningen ging om iets op te halen, datje dan langs een bord kwam waarop stond, dat ieder die daar voorbij ging kon worden doodgeschoten. Er was gebleken, dat dit nog wel meeviel.
Er waren verhalen van mensen, die nog van alles hadden opgehaald. Half oktober zijn Plonia en ik op de fiets naar Wageningen gegaan om warme kleren en dekens te halen. Die waren te vinden in de kelder, want de familie had de laatste week, toen er telkens weer werd geschoten, daar geslapen. Wij hoorden boven ons hoofd in ons huis iemand stommelen. We hielden ons stil, maar later hebben we voorzichtig om de hoek van de kelderdeur gekeken. Er liep net een Duitser weg, die waarschijnlijk iets uit ons huis had gestolen. We hebben meegenomen wat de op de fiets konden vervoeren en we zijn zonder te worden aangehouden terug gefietst naar de boerderij van Steenbeuk.

Op 20 oktober kwam het bevel, dat ook Bennekom moest worden ontruimd. Toen werd het moeilijk nog iets uit Wageningen te halen als je niet een speciale vergunning had. Later hoorden wil, dat onze NBS burgemeester, van der Brink, nu in Barneveld burgemeester was geworden en dat hij vergunningen uitgaf om nog iets uit Wageningen te halen. Toen zijn Plonia en Wim naar Wageningen gefietst en hebben nog van alles opgehaald.

Zo nu en dan moest er weer een kip worden geslacht. Er was geen voer en geen afzet voor alle kippen en er waren veel eters op het bedrijf. De kip werd vastgegrepen en met zijn kop op het hakblok gelegd en dan werd de kop er afgehakt en soms liep de kip dan nog even weg totdat hij was dood gebloed. Behalve deze manier om een kip te slachten leerde ik ook om een kip te plukken en dan de haren er af te schroeien.

Op de hoek van de Postweg bij de school was een bakker, waar we brood kochten. Toen de bakker haast geen meel meer had, werd er gemalen rogge bijgemengd. Het brood werd dan wel heel hard. We konden verder boodschappen doen in Lunteren en daar hoorden we ook wel van andere Wageningers, die in de buurt waren ondergebracht. Zo zat Frans Braaksma, een vriend van mij bij een boer aan de weg naar Barneveld bij De Biezen. Daar ben ik wel eens heen gelopen. Zij hadden het niet zo prettig als wij. Hun boer was erg streng en ook zo christelijk, dat hij op zondag geen melk wilde verkopen aan de hongerlijders, die langs kwamen. Een ander tochtje in de buurt was in westelijke richting naar de Schans. Dat is een natuurgebiedje ontstaan uit een vroeger verdedigingswerk van de Utrecht tegen Gelderland.

Aan een zandweg naar het zuiden woonde Wolfswinkel in de boerderij: ”Klein Zwetselaar” met een gehandicapte boerenzoon, die niet meer in de landbouw kon werken en daarom in Renswoude een sigarenwinkeltje wilde beginnen. Daarvoor moest hij een middenstandsdiploma halen en daarbij hielp ik hem met de wiskunde, die daarbij nodig was.
Eens waren wij op een morgen begin november bezig met stoppelknollen te plukken. Dat is een werkje met heel koude vingers. Onderwijl was Driekus aan het ploegen op het deel van het perceel waar de knollen al geplukt waren. Volgens mijn vader, die een deskundige was op het terrein van landbouwwerktuigen en grondbewerking, ploegde hij veel te diep, want stoppelploegen doet men alleen om het onkruid te bestrijden. Later kan men dan ploegen op wintervoer en dat is dan ongeveer 12 of 15 cm diep.

Wij vonden tussen de knollen soms canvas banden en die moesten wij maar bij Driekus inleveren en dan spitte hij ze diep onder. Nu kon hij niet meer ontkennen dat er een dropping was geweest van containers met voorraden voor geallieerde militairen, die op allerlei geheide adressen waren ondergedoken en opnieuw werden bewapend en van voorraden voorzien. Wij lagen in het hooi te slapen en hadden misschien wel een vliegtuig gehoord, maar wij wisten hier niets van.

Later las ik en hoorden wij wat er die nacht was gebeurd. Er waren bij de slag bij Arnhem heel wat geallieerde militairen gevlucht en opgevangen door de ondergrondse. Die had voor hen gevraagd om wapens en uniformen. Dat kon via de geheide zender die ze hadden. De groepen van Ede en van Lunteren hadden gezorgd voor de afzetting van het terrein ten zuiden van Steenbeek. Daartoe was een groep van ongeveer 20 man verzameld op een hooizolder van Evers. Daar was een ladder met planken over de sloot gelegd, om het terrein toegankelijk te maken. In het terrein waren lampen opgesteld en die moesten worden aangezet als het vliegtuig te horen was. Er waren metalen containers met wapens en munitie en andere van stevig karton met uniformen, sigaretten, bank papier en andere nuttige zaken enz. De dropping was twee keer uitgesteld wegens het slechte weer, maar de derde keer is het allemaal goed gegaan. Het vliegtuig vloog laag en heeft 22 containers afgeworpen. De containers zijn in een kippenhok op wielen uitgezocht en de inhoud is verdeeld tussen de groepen van Ede en van Lanteren. De inhoud is op boerenwagen van Steenbeek weg gebracht om ze op te bergen op een veilige plaats. De parachutes zijn in de lege containers verpakt en die zijn begraven in een kuil die daartoe door tien man was gegraven. Daar was niets meer van de zien als Driekus er met de ploeg overheen was geweest.

Onder alle mensen, die dagelijks langs kwamen en de veilige zandwegen kozen om bij de boeren wat te eten te krijgen was ook een zekere Kees. Hij bleek van beroep elektricien te zijn en hij had ook zijn klimijzers bij zich waarmee hij in houten electriciteitspalen kon klimmen.

Wij hadden al weken geen stroom en zaten in de avond dus bij een petroleumlamp. Hij liet zien dat hij wel stroom kon aftappen door een verbinding te maken via de krachtstroom. Dat betekende dat we steeds de luiken zorgvuldig moesten sluiten en dat we ook weer naar de radio konden luisteren, als die uit zijn berging was gehaald. Nadien werd er wel eens naar de Engelse zender geluisterd en dat gaf ons een indruk van de ontwikkelingen in de oorlogsvoering.

Onder alle hongerlijders, die dagelijks langs kwamen was in december ook Lo Kole. We kenden hem van de H.B.S. en de dansles. Hij zat dat twee klassen hoger dan mijn zuster Plonia. Hij studeerde in Groningen medicijnen, maar dat was in de oorlog eigenlijk niet meer mogelijk. Hij vertelde, dat hij was ontslagen uit het concentratiekamp in Amersfoort. Hij was opgepakt bij een razzia in Amsterdam en hij was losgelaten omdat ze eigenlijk niets tegen hem konden bewijzen en waarschijnlijk ook omdat het kamp zo vol was, dat er te weinig ruimte was om mensen vast te houden, die werden opgepakt. Hij kon ook bij ons in het hooi slapen en bleef bij ons.

Eens was er een geambieerd eenpersoons vliegtuig neergeschoten ten zuiden van onze boerderij. Lo Kole was daar snel bij en hij probeerde, als medisch student, de gewonde piloot te helpen, maar hij kon niet veel doen. Al gauw waren er Duitsers af gekomen en toen is Lo snel weer naar Steenbeek gekomen.

Er zou in december nog een tweede dropping komen. Later hoorden wij, dat die dropping de dag voor Kerstmis werd verwacht, maar toen niet was doorgegaan. De daartoe opgeroepen verzetstrijders waren onverricht ter zake weer naar huis gegaan. Wij moesten opletten als we naar de Engelse zender luisterden. Wanneer werd gezegd: “De kachel brandt” dan wilde dat zeggen dat het vliegtuig voor de tweede dropping was gestart. Wij wisten zo de dag na Kerstmis wat er ging komen en toen we geacht werden op het hooi te slapen, keken we door het dakraampje wat er gebeurde. Het vliegtuig kwam drie maal over en iedere keer werd parachutes uitgeworpen We zagen wel parachutes, maar dat was te ver weg. Later hoorden we dat het vliegtuig te hoog had gevlogen en dat de parachutes door de wind te veel waren verspreid en niet op het afgezette terrein waren terecht gekomen. Wij hoorden schieten in de verte en begrepen dat er iets fout was gegaan.

Later hoorden we wat er was gebeurd en er is ook veel te lezen in het boek van de ondergrondse van Ede. Er was een Duitse auto geweest met bandenpech langs de weg bij Renswoude. Ze hadden een vliegtuig gezien, dat parachutes uitwierp. Ze waren naar de bezetters in Renswoude gegaan, om met de daar aanwezige soldaten er op af te gaan. Het vliegtuig had de eerste keer dat hij overkwam één parachute uitgeworpen. Dat was een persoon, die de steun zou geven aan het verzet tegen de Duitsers. Het vliegtuig vloog te hoog, wel 500 meter en dat moest 100 of 150 meter zijn. Door de wind kwam de parachutist wel erg dicht bij Mariënhof terecht wat een kazerne was van de NSDAP. Toen het vliegtuig voor de tweede keer overkwam waren de lampen weer aan en er werd vast gesteld dat het weer te hoog vloog. De parachutes met containers woeien te ver weg. De derde keer wierp het vliegtuig een nieuwe inventaris uit ter vervanging, van alles wat er in het kippenhok van Evers was verbrand: levensmiddelen, sigaretten, wapens en munitie. Alles moest bij elkaar worden gezocht maar op de bevroren grond waren sommige containers kapot geslagen. Alles moest bij een zandweg worden gelegd waar het met een wagen kon worden opgehaald. Bij de boerderij van Mastenbroek klonken stemmen, want de bewoners kwamen met hun evacués naar buiten. Ze werden door de verzetsstrijders weer naar binnen gejaagd, maar er was een pistool nodig om hen van de noodzaak daarvan te overtuigen. Containers, die te ver van het doel waren weggewaaid, werden langs de weg gelegd om ze met de wagen die de parachutist had weggebracht te kunnen afvoeren. De grond was te zeer bevroren om ze te kunnen begraven. De parachutist moest met paard en wagen naar zijn adres worden gebracht want dat was ongeveer 5 km weg.

De mensen, die bezig waren de containers naar de weg te dragen hoorden Duitse commando’s en dachten: dat is fout. Zij gaven een saldo af in de richting waar het geluid vandaan kwam en dat was de redding voor de anderen, want de Duitsers dachten blijkbaar dat ze tegenover een Engels commandogroep stonden en ze zochten dekking. leder was gewaarschuwd en vluchtte. De Duitsers begonnen met huiszoeking bij van der Fliert en ook bij Mastenbroek, waar de bewoners weer buiten stonden. Gijs Steenbeek zat bij van der Fliert op de hooiberg. Toen ze op zijn hooiberg af kwamen is hij diep in het hooi gekropen en hij is niet gevonden.

Ze hebben ook bij Evers en Steenbeek aangeklopt. Driekes Steenbeek had ook meegedaan.
Hij had snel een nachtgewaad aangetrokken en was quasi-slaperig naar buiten gekomen. Hij zei dat hij had geslapen en niets had gemerkt. Wij moesten ook op de deel komen want ze wilden zien wie daar in huis waren. Ze hebben niet in de varkensschuur gekeken, waar nog heel wat fietsen stonden.

De volgende dag kwamen er een groot aantal landrechters (een gewapende afdeling van de NSB), begeleid door een aantal Duitsers. Driekus moest met zijn wagen een groot aantal containers naar een kazerne in Ede brengen. Hij begreep uiteraard niet hoe die dingen op hun land waren terecht gekomen. Na een paar kilometer op de weg naar Ede zei hij, dat het paard niet verder kon. Ze lieten hem uitspannen en hij is met het paard weer naar huis gekomen.

Ik was later op die dag boven op een hooiberg om hooi af te gooien voor de koeien toen onder mij een landrechter onze boer begon uit te horen. Ze hadden gehoord van de explosie in een kippenhok bij Evers, de buren waar een Engelse officier enige weken eerder een ongeluk had gehad met een kachel waardoor heel wat munitie was ontploft). Hij wilde alles weten van die ontploffing. Tijmen Steenbeek zei dat dit kippenhok was gebouwd met dennenhout dat veel hars bevat en als dat brand dan knettert dat en soms knapt er een harsknobbel. Dat was het niet, want de landrechter had gehoord dat het een explosie was. “Ja, dat was ook zo, want die evacués die daar zaten hadden een butagaskachel en die was uit elkaar geknapt”. De landrechter kwam niet verder, want niemand begreep hoe die dingen die ze op het land hadden gevonden, daar kwamen.

Mijn ouders vonden, dat ik maar beter weg kon zijn, want ik wist te veel en bovendien was ik 18 jaar en ik zou kunnen worden opgepakt om te gaan spitten om stellingen te maken langs de Veluwerzoom. Mijn vader bracht mij naar een boerderij in Meulunteren. Hij had van daar een boerenzoon op school gehad op de Landbouwwinterschool in Zetten. Deze zoon Nico was een keer op de fiets naar de spoorlijn tussen Beneveld en Stroe gereden.
Daar lag een Duitse munitietrein langs de spoorlijn. Hij had daaruit wat lichtspoor munitie mee genomen en vroeg zich af wat daarmee te doen. Wij vonden een ijzeren buis waar zo’n patroon net in paste. Van die buis hebben we een stuk afgezaagd van ongeveer 30 cm. Die buis konden we met een lijmklem vast zetten aan een heiningpaal en zo dat de patroon naar boven was gericht. Nico heeft met een spijker, die met een tang werd vastgehouden op het slaghoedje geslagen en daar ging een geweldige witte vuurbol en lucht in. De hele omgeving werd verlicht. We vonden het een prachtig gezicht. We hadden er nog één die een geel merkteken had. Na enige aarzeling besloten we die ook nog te proberen. Dat ging net zo en de omgeving werd nu geel verlicht. Toen hebben we de afgezaagde buis met de lijmklem in de brandnetels gegooid en we zijn binnen gaan zitten schaken. Na enige tijd was er buiten een gebrom van motorfietsen en daarna ook van auto’s. Dat duurde ongeveer een uur en toen werd het weer stil. De volgende dag hoorden we dat ze bij verscheidene buren waren geweest maar niemand wist waarom ze kwamen. Niemand had ook iets gezien, want alle woningen waren natuurlijk verduisterd. We hebben er later niets meer van gehoord, maar we hadden wel het tevreden gevoel dat de Duitsers een heleboel benzine hadden verbruikt zonder doel. lk ben daar ongeveer tien dagen gebleven, totdat aan de Schansweg de rust was weergekeerd.

In het voorjaar heeft het flink geregend, zodat er voor een veel plassen op het land stonden. Dat vonden ze bij Steenbeek normaal, maar mijn vader vond dat de ontwatering moest worden verbeterd. Op zijn aanwijzingen ben ik een tijd bezig geweest om de sloot non de oostkant van het bedrijf te verbreden en uit te diepen. Hierdoor kon het water sneller naar de Lunterse beek en ook bij de buurman van Ee werd het erf beter ontwaterd In het voorjaar had Lo Kole een vriendschappelijke relatie aangeknoopt met Teunie van Ee, van het eerste bedrijf aan de weg naar het zuiden. Na de oorlog werd hij huisarts in Harderwijk.

Jan van den Ban (1926)

Categorie: Verhalen | Trefwoorden: , , | Reageer »